De ijsbaan van weleer

14-02-2021 Wonen Han van der Horst

Foto: Ruud van Hagen


COLUMN - Ooit woonde ik vlak bij een echte ijsbaan. Mijn ouders kregen na acht jaar wachtlijst een vierkamerflat toegewezen op de Van Limburg Stirumstraat, vlakbij het huidige metrostation Nieuwland. Ons complex is al een kwart eeuw geleden afgebroken om plaats te maken voor veel duurdere nieuwbouw. Ik weet nog hoe ik voor het eerst het lege appartement – op de eerste verdieping – betrad. Ik en mijn broertje (toen één jaar, over een paar maanden bereikt hij de pensioengerechtigde leeftijd) kregen allebei een eigen kamer. Wat een ongekende weelde. Er was zelfs een kast. Ik legde op een van de planken voorzichtig twee kleine doosjes die de bouwers hadden achter gelaten. Mijn eigen plek, mijn eigen dingen.

Er zat in de flat ook een lavet met een douche er boven. Dit was tevens een primitieve wasmachine. In de natte cel lag een groot ding met schoepen dat je in de afvoer van het lavet moest steken. Het paste op een vierkante staaf als de sleutel van een klok. Mijn moeder noemde dit ding ‘die vin’. Onder het lavet zat een elektromotor die je met een ruk aan een koordje aan en uit kon zetten. Dan ging die vin heen en weer bewegen. Mijn moeder vulde elke maandagochtend het lavet met heet water van de douche en strooide er daarna Sunil door. Dat deden alle vrouwen in de hele flat, zodat het gebouw dreunde want de elektromotoren waren niet direct geluidsarm.

Nu hoefden mijn ouders ook nooit meer naar het badhuis en mij was de teil verleden tijd. Mijn moeder had die eerst moeizaam gevuld met fluitketeltjes kokend water. Met water uit de kraan bracht zij het vervolgens op een aangename temperatuur. Ik er in. ¨En nu onder de douche¨, zei ze dan. Ze vulde een oude fles voor vloeibare zeep met water uit de teil en goot dat daarna over mijn hoofd uit. Dan gingen mijn haartjes op het voorhoofd plakken. Dat was fijn.

Nu hadden wij een echte. Elke week op vrijdag ging ik onder de douche. Dan had mijn moeder ook schoon ondergoed voor de nieuwe week klaar gelegd. Denk niet dat we uitzonderlijke smeerpoetsen waren. Voor de standaarden van de jaren vijftig deden wij eerder aan zorgvuldige lichaamshygiëne. Op andere dagen waste ik mijn handen en gezicht onder de warme kraan in de keuken. Ook poetste ik dan mijn tanden. Het moet toentertijd in bus en tram ongelooflijk gestonken hebben. Bovendien rookte elke volwassene als een ketter. De geur van tabak hing in haast ieders kleren.

Dit terzijde. De flats van ons buurtje stonden nog middenin de weilanden want aan de Nieuwe Damlaan en het Nieuwlandplein zou men pas rond 1958 toekomen. Soms liep er een koe in de straat, afkomstig van de naburige boerderij op de Oudedijk. Die stond ongeveer ter hoogte van de torenflat aan de Nieuwe Damlaan vlakbij de metro. Aan de andere kant, aan het begin van de Schiedamscheweg, prijkte café De Sport met zijn speeltuin. Er staat daar in de buurt nog een rijtje huizen uit de jaren dertig van de vorige eeuw ter herinnering aan die oude toestanden. Vlakbij was de Laan van Spieringshoek, een koolaspad dat naar de tennisvelden bij de Poldervaart voerde. En daar had je een grote ijsbaan, een grasvlakte met een of meer lichtmasten (hoeveel weet ik niet meer) die bij vorst werd ondergespoten. Heel Schiedam kwam er dan schaatsen.

Nou, dat is een stevige aanloop om bij mijn onderwerp te komen. Ik had als kind al niks met schaatsen. Mij zou je op de ijsbaan nooit vinden, op een bevroren vijver ook niet trouwens. Daar was het glad en akelig. Te voet kon ik me ook niet zo snel uit de voeten maken voor de belagers die een gedeelte van mijn lagere schooltijd begeleidden. Ik vond het niks allemaal. Dat ijs.



Gerelateerd