Ons land kent bijna 450 soorten jenever

27-06-2020 Uit Redactie

Wim Lagendijk vertelt bezoekers een verhaal bij een fles in het Jeneverkabinet

SCHIEDAM - Uit onderzoek door Wim Lagendijk, vrijwilliger bij het Nationaal Jenevermuseum in Schiedam, is gebleken dat er bijna vierhonderdvijftig soorten jenever zijn in Nederland. Tweehonderd ervan kun je zien in een wand met lege flessen op de eerste verdieping van het museum. Die wand wordt het Jeneverkabinet genoemd. Over een tijdje moeten er driehonderdtachtig lege flessen in dit Jeneverkabinet uitgestald zijn. Alle bijna vierhonderdvijftig soorten zullen beschreven worden in zes verschillende boekjes.

Herfst 2018 was men bij het Jenevermuseum druk met de voorbereiding van de herinrichting van het museum. Wim Lagendijk: “Een van de nieuwe vaste onderdelen moest het Jeneverkabinet gaan vormen om een koppeling met nu en de geschiedenis van jenever te maken. Vanwege restricties in onze drankvergunning zouden daarin de lege flessen komen van de jenever- en ginsoorten die op de markt zijn.”

Aanvankelijk was het de bedoeling om van alle jenever- en ginsoorten die in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland gemaakt worden en te koop zijn een lege fles in het kabinet op te nemen. Hoeveel zouden dat er in het totaal zijn? “We zijn daarom eerst begonnen met een inventarisatie van de jeneversoorten in eigen land. Nergens was bekend hoeveel dat er zijn. We kwamen er na enig speurwerk in december 2018 achter dat er in ons land meer dan tweehonderdvijftig jeneversoorten zijn. De in de plannen geprojecteerde flessenwand kende een capaciteit van tweehonderdtachtig flessen”, zegt Wim Lagendijk. “We hebben onze ambitie daarom al snel teruggebracht naar het inventariseren en in de wand krijgen van alle op de markt zijnde Nederlandse jeneversoorten. Dat was maar goed ook, want inmiddels hebben we bijna vierhonderdvijftig verschillende Nederlandse soorten in beeld.”

“Door de wand iets slimmer in te richten, kunnen we er honderd meer kwijt dan eerst gepland ofwel in het totaal ruim driehonderdtachtig. Er staan nu circa tweehonderd flessen in de wand, dus we hebben nog een weg te gaan om de lege flessen van bijna alle op de markt zijnde Nederlandse jenevers in het rek te krijgen”, zo beseft Wim. “Soms krijgen we de flessen toegestuurd of nemen bezoekers een lege fles mee, maar het gebeurt ook dat we ze in diverse uithoeken van het land zelf gaan ophalen.”

Hoe kom je tot bijna vierhonderdvijftig soorten jenever?, zo vragen wij aan Wim. Het kan zijn dat een merk meerdere labels en daarbinnen meerdere types jenever op de markt brengt. De producent kan een internationaal verkopend groot bedrijf zijn, maar bijvoorbeeld ook een huismerk van een café of een lokale microstoker, er is nogal wat variatie, zo begrijpen wij uit zijn antwoord. Om systeem te krijgen in de inventarisatie heeft Wim een onderscheid gemaakt in zes categorieën:

1)            Micro-stokers, vakmanschap
2)            Nieuwe distillateurs, businessplan
3)            Huismerken in de omgeving, loyaal
4)            Huismerken nationaal, concurrerend
5)            Bekende merken, blijver
6)            Traditionele merken, overlever

Over elk van de categorieën zal een boekje worden samengesteld en uitgegeven door het Jenevermuseum. Hiermee zet het museum zich nog meer dan voorheen op de kaart als kennisinstituut voor de jeneverwereld in ons land.

Wim Lagendijk (70) is nu drie jaar vrijwilliger bij het museum. “Ik solliciteerde met een cv waarbij alleen de jaren van acht tot en met achttien met jenever te maken hadden, dat is wel bijzonder”, zegt hij met een knipoog. “Ik zal het toelichten: mijn vader was meesterknecht/distillateur bij Vlek in Delft. Als jongen van acht jaar mocht ik ’s ochtends van mijn moeder voor ik naar school ging vaders pakje brood voor tussen de middag afgeven. Zo kwam ik als jonge jongen binnen. Gaandeweg ben ik vakantiewerk gaan doen in het bedrijf en heb ik met allerlei aspecten kennisgemaakt, nee proeven was er als minderjarige nog niet bij natuurlijk. Na mijn achttiende heb ik gestudeerd. Daarna ben ik als bedrijfskundige aan de slag gegaan bij de KLM. Na het overlijden van mijn vader trof ik in zijn gereedschapskisten een stuk gereedschap aan dat ik niet thuis kon brengen. Het bleek kuipersgereedschap, een kroosschaaf, te zijn. Zo kwam ik in contact met het Jenevermuseum en bloeide de aandacht voor het vak van mijn vader weer op.”

Inmiddels heeft Wim al zitting gehad in de projectgroep herinrichting Jenevermuseum, waarin zijn kennis en ervaring als ‘vakantiewerker’ bij Vlek goed van pas kwam. Voorlopig is hij als vrijwilliger nog lang niet uitgewerkt in het museum. Het boekje over de eerste categorie van ‘microstokers’ is in concept klaar en zal binnenkort verschijnen. Dan zijn er nóg vijf categorieën te beschrijven. Zijn hoofd loopt al over van allerlei wetenswaardigheden. Zo zijn er microstokers die zelfs de benodigde granen zelf verbouwen. Er zijn bierbrouwerijen die hun restproducten uit het bierbrouwproces doorstoken tot jenevers (komen in boekje 3). Er zijn nationaal verkrijgbare huismerken in de supermarkt die bij bekende stokers vandaan komen, maar er is ook een huismerk van een hotelketen (Van der Valk) dat uit een eigen distilleerderij komt (komen in boekje 4).

Kortom, als Wim Lagendijk zijn monnikenwerk af zal hebben, kunnen we heel veel meer over jenever lezen.



Gerelateerd