In de nacht op stap

01-08-2021 Uit Han van der Horst

Het Vrije Volk, 17 december 1983


COLUMN - De aanscherping van de Coronamaatregelen heeft voor het Schiedamse uitgaansleven weinig betekend. Horecagelegenheden moeten om twaalf uur ´s-nachts dicht, maar dat deden de meeste kasteleins al voor de pandemie toesloeg. Na tien, elf uur hadden zij nauwelijks nog klanten. Het had geen zin om in de zaak te blijven hangen. Dat kóstte alleen maar geld. Dit ondanks het feit dat de gemeente de openingstijden zo ongeveer had vrij gegeven. 

Dat is wel eens anders geweest. Mensen van vijftig jaar of ouder herinneren zich nog dat door de week geen kroeg de deuren voor één uur sloot en op vrijdag en zaterdag pas om twee uur. Ongeveer een minuut of twintig voor dit fatale moment werd de laatste ronde afgekondigd, want het was wel de bedoeling dat de cafés na sluitingstijd echt leeg waren. Daar hield de gemeentelijke politie terdege toezicht op. Stonden wij stamgasten dan verweesd op straat? Er waren tot veel dieper in de nacht altijd wel patatzaken open. Ik placht op het Broersveld vier porties bitterballen te halen die ik dan onderweg naar huis één voor één opat. Ik proef de smaak nog nu ik deze regels tik. We hóefden echter niet naar de patatzaak als we de nacht nog wilden redden, want Schiedam kende nachtcafés die tot vier uur open mochten blijven. Ze hadden over klandizie nooit te klagen.

Op het Land van Belofte –  heette toen niet zo – prijkte de Lion d´Or. Om de hoek op de Broersvest naast het huidige sushi-restaurant zat bovenaan een trap het nachtcafé van Martin van Lind. En ver weg op het Rubensplein bevond zich de Rio Bar. Wie een beetje verbeelding had of zich rekende tot de in politiek, pers of verenigingsleven actieve Schiedammers richtte de schreden het liefst naar Martin van Lind, die overigens best narrig kon zijn en de deur voor je gesloten hield als je kop hem niet aanstond. Het kan natuurlijk ook dat wij dit zelf dachten, maar dat Martin met zijn decennialange ervaring constateerde dat we genoeg op hadden. 

In die dagen behoorden raadsleden over het algemeen ook tot de natte gemeente. Na zittingen op het stadhuis praatten de volksvertegenwoordigers na, meestal bij Het Vierkantje, waarna de volhouders bij Martin van Lind aanklopten. Onder hen bevonden zich meestal journalisten van plaatselijke kranten, die dan Nieuwspoortje gingen spelen en probeerden de lokale politici uitspraken te ontlokken. Meestal lukte dat niet. Onze nestor, Ruud van Houwelingen, de gevreesde redactionele leider van het Nieuwe Stadsblad (toen twee keer per week met toch gauw 32 tot 48 pagina´s, kom daar tegenwoordig eens om), Ruud was een groot innemer maar tot zulke activiteiten verlaagde hij zich niet. Hij gebruikte zo zijn eigen kanalen waar wij geen weet van hadden. Daar zorgde de nestor wel voor. 

Bij het Stadsblad hadden ze overigens ook nog wel eens de neiging binnengekomen mededelingen ongezien door te sturen, zodat berichten in de krant begonnen met de zinsnede: ¨Geachte redactie, wilt U dit opnemen. Bij voorbaat dank¨. In het Vierkantje kwam het soms voor dat Kor Kegel van het Rotterdamsch Nieuwsblad/Schiedamse Courant zich zo rond half één van ons los maakte en een taxi naar Vlaardingen bestelde. ¨Ik ga faxen¨, verklaarde hij geheimzinnig. Hij werkte in de kelder van het pand direct naast Het Vierkantje, waar tegenwoordig ook een café in zit. Kor liet de rekening overstaan, haalde de kopij uit zijn kelder en verdween met de taxi in de nacht. Faxen was toen nog iets heel bijzonders. Wij konden ons niet goed voorstellen wat het was, maar het kwam erop neer dat hij de berichten voor de volgende dag via telefoonlijnen naar de centrale drukkerij in Rijswijk stuurde. Dat deed Kor elke nacht. Dat vonden we toch wel bijzonder, wij achterblijvers aan de stamtafel. Kor kwam meestal niet meer terug om met ons de wandeling naar Martin van Lind te aanvaarden. 

Hoe dan ook, het was helemaal niet vreemd als al die stamgasten pas na vieren thuis verzeilden. Dat gold zeker voor het weekend.

Op zondagavond gingen de cafés weer gewoon om één uur dicht. Bij de Quibus – nu de Grauwe Hengst – hadden ze een bijzondere service. Bijstandsgerechtigden konden het formuliertje dat ze elke week bij de sociale dienst op de ´s-Gravelandseweg moesten indienen, op de tap achterlaten. Dan werden die daar na sluitingstijd even in de bus gedaan. Ik denk dat Peter Pijpers die taak meestal op zich nam, maar ik geef deze mening graag voor een betere.

Ik loop nog wel eens laat door de stad. Dan denk ik: ¨Wat gaan ze tegenwoordig ook allemaal met de kippen op stok¨.



Gerelateerd