'Schiedams' proefschrift: koloniale bootreis net als Indië

04-03-2020 Uit Han van der Horst


RECENSIE - De taxi brengt je naar het station Rotterdam Delftsche Poort. Je wenkt een witkiel om je zware bagage voor een dubbeltje of wat de Etoile du Nord in te sjouwen. Je reist met deze luxe expresstrein naar Parijs. ´s Avonds naar de revue in de Moulin Rouge. De volgende ochtend neem je de sneltrein naar Marseille, waar de Dempo of de Patria van de Rotterdamsche Lloyd al ligt te wachten. Het duurt dan dik drie weken om naar Nederlands-Indië te varen, maar aan boord is het elke avond bal. Je wordt door onderdanige Javaanse stewards op al je wenken bediend. Tot je uiteindelijk in Tandjong Priok, de haven van de Indische hoofdstad Batavia aan wal gaat. Kind van een klein koninkrijk aan de Noordzee dat daar in de gordel van smaragd iets groots verrichtte. Althans dat had je op school geleerd. En voor wie niet onder de oppervlakte keek, was dat nog waar ook.Zie bijvoorbeeld hier. .

Over zulke bootreizen, althans over het beeld daarvan in Nederlandse verhalen en romans, heeft Coen van ´t Veer, leraar Nederlands van scholengemeenschap Spieringshoek, een promotieonderzoek gedaan. Het resultaat daarvan ligt sinds kort in de boekhandel: De Kolonie op Drift, de Representatie en constructie van koloniale identiteit in fictie over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië (1850-1940). In zijn voorwoord bedankt Van ´t Veer de leiding van zijn school speciaal voor de ruimte die hij heeft gekregen om naast zijn onderwijstaak wetenschappelijk onderzoek te doen. De school heeft daar natuurlijk ook voordeel bij: ze hebben er een doctor bij in het lerarencorps.

Coen van ´t Veer kreeg al in zijn studententijd belangstelling voor de geschiedenis en de cultuur van Nederlands-Indië. De Kolonie op Drift wortelt in zijn afstudeeronderzoek. Wat heb je eraan om helemaal en tot in detail uit te pluizen wat er in romans en verhalen is geschreven over de zeereis van en naar Indië? Je krijgt een beeld van de verhoudingen aan boord. Hoe gingen de passagiers van verschillende rang, stand, afkomst en kleur met elkaar om? Wat zegt dat over de koloniale maatschappij? Al vroeg is opgemerkt dat het aan boord van zo´n schip Indië in het klein was. Nu gaat het natuurlijk om fictie, maar de auteurs moesten er wel voor zorgen dat hun verhalen voor de tijdgenoten geloofwaardig bleven. Anders vonden zij lezers noch uitgevers. Wie met moderne ogen naar zulke teksten kijkt, komt er achter hoe mensen in het verleden dachten en deden. Als je dan ook nog tussen de regels door weet te lezen – en daarbij bepaalde methodes toepast uit de antropologie en de literatuurwetenschap – dan komt achter de schone schijn een heel andere werkelijkheid te voorschijn. Dat was de ambitie van Coen van ´t Veer.

Hij laat zich daarbij leiden door het voorbeeld van de in 2003 overleden Palestijns-Amerikaanse geleerde Edward Said. Deze werd wereldberoemd met zijn korte maar genadeloze studie Orientalism waarin hij aantoonde dat het westerse beeld van het oosten veel te veel is bepaald door vooroordelen, een superioriteitscomplex en onderhuidse seksuele fantasieën. Said heeft veel gefundeerde kritiek gekregen, onder meer van zijn evenknie Bernard Lewis, maar de kern van zijn conclusies is bij dit alles overeind gebleven. Hij is nog steeds een betrouwbaar leidslicht als je van hem maar niet de enige vuurtoren maakt met behulp waarvan je de vaarroute bepaalt. Anders loop je op de klippen van de eenzijdigheid. Dat weet Coen van ´t Veer gelukkig te vermijden.

De romans en verhalen die hij analyseerde, zitten vrijwel onveranderlijk zó in elkaar. Een stel mensen is aan boord lange tijd tot elkaar veroordeeld. Ze behoren tot twee hoofdgroepen, de baren en de oudgasten. Het woord baar is afkomstig van het Indonesische baru, nieuw. Het zijn groentjes die voor het eerst naar de kolonie gaan. De oudgasten zijn gepokt en gemazeld door het Indische leven. Terwijl de baren van de ene verbazing in de andere vallen, geven de oudgasten uitleg. Daar blijft het niet bij: er zijn ook nog standsverschillen tussen de opvarenden met hoge ambtenaren van de bestuursdienst aan de top en helemaal onderaan bijna op hetzelfde niveau, de huursoldaten van het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger en de inlandse bedienden. Alle auteurs gaan er zonder meer vanuit dat de Europese cultuur superieur is aan de oosterse en dat in principe blanke westerlingen qua karakter de bruine oosterlingen de baas zijn.

Dit schept problemen met betrekking tot gemengdbloedigen. Een zeereis naar Indië was tot diep in de negentiende eeuw langdurig en slecht voor de gezondheid. Weinig Europese vrouwen waagden zich daaraan. Daarom namen de Nederlandse mannen een lokaal vriendinnetje, een njai, die ze ook na de opheffing van de slavernij in 1859 vaak min of meer van haar familie kochten. Uit zulke verbintenissen komen de indo´s voort.

Coen van ´t Veer laat zien hoe in de loop der tijd de rassenscheiding aan boord steeds scherper werd. Tot het eind van de negentiende eeuw konden personen van gemengd bloed in Indië nog wel een behoorlijke carrière maken, ook bij de overheid. Gewoon omdat er niet genoeg blanken aankwamen. Dat veranderde door de stoomvaart. De zeilschepen van weleer werden vervangen door steeds grotere drijvende paleizen. Indië werd daardoor voor meer blanken bereikbaar. Niet alleen mannen maar ook vrouwen. Daardoor werden de gemengdbloedigen verdrongen en begonnen de toestanden in de kolonie steeds meer te lijken op een soort informele apartheid. In de negentiende eeuw werd het nog gewenst geacht als baren op een bepaalde manier verindischten, in ieder geval op het punt van voedsel (rijsttafel) en persoonlijke hygiëne (minstens eenmaal per dag op zijn Indisch in bad, dat wil zeggen het hele lijf grondig afspoelen). Het mocht natuurlijk niet te erg worden, wat gebeurde als zo´n nieuwkomer zich door zijn njaj al te zeer op sleeptouw liet nemen de Indische manier van leven in.

In de romans en verhalen over zeereizen spelen liefdesgeschiedenissen uiteraard een wezenlijke rol. Aan boord zijn altijd wel echtparen met jongvolwassen dochters en meestal ook ‘handschoentjes’. Dat zijn vrouwen die met de handschoen zijn getrouwd. Er hadden dan twee huwelijksplechtigheden plaatsgevonden, één in Nederland, één in Indië. Na zo´n huwelijk ‘met de handschoen’ nam de vrouw de boot naar Tandjong Priok, waar haar man stond te wachten. Aan boord wordt haar trouw dan op de proef gesteld. Van ´t Veer laat zien dat trouweloosheid en seksuele losbandigheid in de door hem geanalyseerde boeken en verhalen vaak in verband worden gebracht met gemengdbloedigheid of een al te grote mate van verindischen. Het goede, het ware, het schone, het eerlijke wordt altijd in verband gebracht met een zuiver Europese afkomst, al komt het wel voor dat blanken ontsporen als zij onder slechte Indische invloed hebben gestaan.

Van ´t Veer stelt vast dat de tolerantie en de waardering met betrekking tot de Indische manier van leven in de boeken uit de twintigste eeuw sterk is afgenomen. Helden en heldinnen uit de verhalen van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw proberen zo Europees mogelijk te blijven, ook in de kolonie. Dat kon inmiddels ook wel. In de grote steden van de verre kolonie werden voor de zeer welgestelden Nederlands aandoende wijken gebouwd met gas en elektriciteit. Voor de deur stond de auto. In de woonkamer kon je met je radio programma´s uit Nederland beluisteren - zoals Philips Radio Holland Indië (PhOHI). Aan boord van de oceaanstomer maken zij daar vast een begin mee.

Vers twee is of ze dat voornemen ook weten waar te maken, want de verleidingen zijn groot en gevaarlijk. Immers, de verindisching ligt steeds op de loer en dat is in de nadagen van het Nederlandse koloniale bewind niet langer gewenst, maar een groot gevaar. Verindisching leidt tot de morele ondergang.

In De Kolonie op Drift laat Coen van ´t Veer door zijn analyse van verhalen en romans zien hoe bij auteurs en lezers tegelijk het misverstand over de superioriteit van de Europese cultuur en de minderwaardigheid van die in het oosten kon blijven leven.

Zo wordt het begrijpelijk dat verreweg de meeste Nederlanders destijds niet in de gaten hadden wat een woede hun heerschappij wekte bij de grote massa der bevolking. In hun onwetendheid dachten zij dat die eenvoudige bruine mensen maar wat blij waren met hun welwillende heerschappij. Hoe wreed het ontwaken is geworden, weten wij nu allemaal. Het boek van Van ‘t Veer is een nieuwe ontmaskering van de tempoe doeloe legende.

Laten we eerlijk zijn: Van ´t Veer maakt het zijn lezers niet altijd heel gemakkelijk. Hij schrijft eerder voor vakgenoten dan voor het publiek in het algemeen. Hij gebruikt nogal wat jargon, ook waar hij dat had kunnen vermijden. Toch is De Kolonie op Drift een waardevol boek. Vooral omdat je bij het lezen over die koloniale verhoudingen zo vaak moet denken aan onze huidige multiraciale, multiculturele en multi-etnische samenleving. En over hoe opnieuw misplaatste gevoelens over superioriteit en beschavingsdrang een werkelijk contact met de anderen in de weg staan.

Dat kon destijds ook gebeuren als men met de beste bedoelingen de koloniale taak aanpakte. Zo rond 1900 kwam in Nederland de ideologie van de ethische politiek op. Kort samengevat: we hebben Indië altijd uitgebuit. Nu wordt het tijd om onze ereschuld terug te betalen door de gordel van smaragd te regeren in het belang van de inheemsen. Hen moeten wij beschermen, opvoeden en beschaven zodat zij op den duur in staat zullen zijn zichzelf te besturen. De aanhangers van deze ethische politiek hebben nooit het aanmatigende van deze ambitie begrepen, het kleinerende tegenover mensen die maar blij moesten zijn met deze zegeningen. En die zeer wel in staat waren om zelf te bepalen wat zij van de technologie, de manier van doen en de denkwijze der Europeanen wilden overnemen.

Van ´t Veer besluit zijn boek aldus: “Uit het verleden zijn wel degelijk lessen te leren en zeker uit de koloniale literatuur. Deze houdt ons een spiegel voor. Zo laten de verhalen over de overtocht tussen Nederland en Indië zien dat het benadrukken van verschillen – ook vanuit het op zich nobele motief om zo emancipatie van gemarginaliseerde groepen te bereiken – uiteindelijk slechts leidt tot het vergroten van de afstand tussen bevolkingsgroepen en daarmee tot verdere segregatie en polarisatie van de samenleving.”


Coen van ´t Veer, De Kolonie op Drift. De Representatie en Constructie van koloniale Identiteit in fictie over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië (1850 – 1940). Hilversum 2020. Uitgeverij Verloren, E: info@verloren.nl. . ISBN978 90 8704 825 9

Bekijk de foto's