Patricia van Aaken: 'Trots op megaverschuiving in jeugdzorg'

06-07-2022 Politiek Ted Konings

De wethouder voor de klas - Dag van de Duurzaamheid 2021; foto: Jan van der Ploeg


SCHIEDAM - ‘Waar ik trots op ben?’ Over die vraag hoeft Patricia van Aaken niet lang na te denken. Acht jaar wethouderschap kende hoogte- en dieptepunten, maar de nieuwe aanpak van de jeugdzorg springt er echt uit als grote verworvenheid. Voor de stad en zijn inwoners, en voor de bestuurder Van Aaken.

Alhoewel: ook Health Pregnancy for all komt bij haar op als een belangrijke stap in de periode dat zij Schiedam mee mocht besturen. Vandaag neemt ze afscheid, nu een nieuw college is aangetreden waarin haar partij, het CDA, niet is vertegenwoordigd. Over het project waarmee is gepoogd de sterfte onder pasgeboren kinderen naar beneden te krijgen, binnenkort meer op deze site. Van Aaken noemt de resultaten ervan ‘indrukwekkend’. Zelf oriënteert zij zich op een nieuwe baan, en ze is ook al bezig met solliciteren. “Je kunt toch niet gaan duimendraaien!”

Maar goed: de jeugdzorg dus. Wie een beetje de kranten leest weet dat die term de afgelopen jaren eigenlijk alleen maar voorkomt in zinnen die een zorg uitdragen. Niet de zorg van ‘voor elkaar zorgen’, maar zorg van ‘vrees dat het mis gaat’. Jeugdzorgzorg dus. Toch hanteert Van Aaken (47), op een zonnige middag in haar kantoor op het Stadserf het woord trots in eenzelfde zin als jeugdzorg. “Op de veranderingen waar we drie jaar mee bezig zijn geweest, en waar we volgend jaar mee gaan starten.” 

Het is technische kost. In 2015 werd in een grote landelijke operatie de jeugdzorg - samen met andere zorgvelden - ‘overgedaan’ van het rijk naar de gemeenten. Voor Schiedam betekende dat samenwerken in een zogenaamde ‘gemeenschappelijke regeling’, de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond’, kortweg GRJR. Van Aaken schetst de gang van zaken: “Alle gemeenten dachten: dat is een nieuwe tak van sport, laten we als eerste focussen op het borgen van de continuïteit. Dan gaan we vervolgens wel kijken waar we kunnen verbeteren.” Dat was immers het credo dat werd beleden: door jeugdzorg dichter bij de mensen, in de gemeenten te organiseren, moet die beter worden. En: goedkoper. Samen met de overheveling naar een lager niveau boekte de rijksoverheid een forse bezuiniging in.

De gemeenten waren volgens Van Aaken wel te porren voor het verhaal dat het onder hun regie beter zou kunnen. “We hebben dat omarmd. En hebben geslikt dat Den Haag zei: ‘en omdat we verwachten dat jullie het beter kunnen, kan het ook goedkoper’.” Natuurlijk zat daar ook wat professioneel zelfvertrouwen en optimisme bij. Maar Van Aaken is duidelijk en noemt dit ‘een weeffout, waar we nooit akkoord mee hadden moeten gaan’. Zeker niet omdat de bezuiniging direct inging.

Want er zit wel een logica in de gedachte dat als zaken beter worden georganiseerd en er dichter op de mensen wordt gecommuniceerd en hulp verleend, de kosten zouden kunnen dalen, zo beaamt ook Van Aaken. “Maar niet direct. Je neemt als gemeente een hele nieuwe zorgwereld tot je.” Die moet je leren kennen, mensen moeten elkaar leren kennen, processen moeten worden afgestemd en ingeslepen. Daarna kan je over een kostenverlaging spreken. Maar eerst is het dus een zaak van: investeren.

Dat ging Schiedam doen, of wilde het in ieder geval, maar net als al die andere gemeenten, ook die in de GRJR, was de allereerste actie die om ervoor te zorgen dat tijdens en direct na de omwenteling, de kinderen de zorg die ze hadden, bleven behouden. “Dat je denkt dat je het effectiever, slimmer, gelijk anders kunt doen… dat is nooit gebeurd. De eerste vier, vijf jaar zijn we niet aan transformeren, dat was de term die erop was geplakt, toegekomen. Ook omdat we het geld niet hadden om een volgende stap te zetten.”

Sterker nog: er vielen gaten in de gemeentelijke begrotingen, ook in Schiedam. Tijdens begrotingsbehandelingen ging het erover of er moest worden bezuinigd op de tegemoetkoming meerkosten van mensen in de WMO, of op verstrekking van de Rotterdampas. Want er was extra geld nodig voor de jeugdzorg. De ontwikkeling was onontkoombaar: “Er kwamen meer kinderen in de zorg, en die kostten meer geld dan we dachten.” In plaats van minder geld was er dus meer geld nodig en de gemeente kon niet anders dan daarin meegaan. “Omdat je als gemeente, en partners, organisaties, zelf ook het welzijn van het kind voorop stelt.” Maar van transformatie was geen sprake. “In die periode hebben we het alleen maar over geld gehad, en niet hoe we de zorg beter konden krijgen.” 

De crux zit hem volgens Van Aaken in de situatie achter het kind met problemen. “Het gaat meestal niet om alleen het kind, maar ook om het gezin waar iets aan de hand is.” Zodoende was de ervaring van de betrokken instanties vooral dat ze steeds duidelijker onderkenden dat er meer nodig was dan alleen deelhulp aan een kind op een bepaald gebied. “Daardoor leek het alsof het meer werd, intensiever werd wat er nodig was”, aldus de wethouder. De partijen in de welzijnszorg, maar ook in het onderwijs, zagen dat gebeuren: dat er steeds meer te doen was. 

Een andere ontwikkeling was volgens Van Aaken die van de zorgorganisaties die steeds meer gericht zijn, en min of meer verplicht worden, tot het maken van winst. “Hier lopen volgens mij twee ontwikkelingen door elkaar heen: aan de ene kant zag je door de druk op de financiën dat de zorgorganisaties veelal naar zichzelf keken om overeind te blijven. En dus samenwerking in de keten even niet meer zo scherp in beeld hadden, waardoor het kind maar voor een deel geholpen werd. Aan de andere kan zag je zorgorganisaties ontstaan die ervan profiteerden en bepaalde zorg aanboden waarop ze grote winsten boekten. Overigens is dit beeld elders in het land veel meer aan de orde geweest dan bij ons.” 

De gevolgen van die twee ontwikkelingen zijn echter eenduidig: “Dat betekent niet alleen dat zaken meer gaan kosten, maar ook dat mensen langer in zorg zijn en er minder plekken zijn om zij die het hard nodig hebben te kunnen helpen.” Om het nog maar niet te hebben over budgetten die opraakten en hulpverleners noopten hun deuren ergens in oktober, november, te sluiten, want: ‘geen budget meer’.

En toen kwam Corona. Dat leidde af, op allerlei vlak, maar zorgde ook voor een toename van de problemen bij kinderen en jongeren. 

Een arbitragecommissie, die uitspraak deed in een zaak aangespannen door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), namens de gemeenten dus, tegen het kabinet, kwam mei vorig jaar tot de conclusie dat er wel degelijk meer geld naar de jeugdzorg moest. Dit jaar 1,9 miljard euro extra was nodig, komend jaar 1,6 miljard en daarna aflopend tot 2028, tot achthonderd miljoen. Het kabinet besloot voor dit jaar 1,3 miljard euro extra ter beschikking te stellen.

En dan komt er een nieuw kabinet, en dat stelt voor vijfhonderd miljoen te gaan bezuinigen op jeugdzorg, zo rakelt Van Aaken de gang van zaken op. In een unaniem aangenomen motie op een VNG-congres stelden de gemeenten daarop de samenwerking met het rijk stop te zetten, tot dit onzalige plan van de baan was. “We waren juist toegekomen aan de hervormingsagenda. Hoe gaan we dat doen als er weer bezuinigd moet worden?” Het laatste woord is hier zeker nog niet over gezegd.

Zoals gezegd is het forum waarin de hulp aan Schiedamse kinderen en jongeren wordt georganiseerd, die van de GRJR. Die bezorgde Van Aaken een extra bron van zorg. “Door de schaal waarop wordt gewerkt was het voor ons niet mogelijk om inzicht te krijgen in de gang van zaken. We konden niet zien waar onze Schiedamse kinderen zitten, waar zorg wordt verleend, hoe lang. Ook al loopt het begin van een zorgtraject vaak via onze wijkteams, zodra er zwaardere zorg wordt verleend, gaat de regie naar de betrokken instanties en zien we de jonge mensen niet meer.”

Al met al een zorgelijk beeld. Van Aaken stelt eerlijk: “Dat beangstigt een bestuurder. Je ziet de wachtlijsten groeien en de kosten en je ziet niet terug hoe het gaat…” En dan komt daar bovenop, in juli vorig jaar, nog eens een alarmerend bericht van de Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd: de daling van het aantal kwetsbare kinderen dat op passende hulp wacht is in onze jeugdzorgregio niet voldoende. 

Dat complete beeld zette de gemeenten Schiedam, Vlaardingen en Maassluis, toch al natuurlijke gesprekspartners, aan tot een gezamenlijke zoektocht naar nieuwe mogelijkheden. “Want met vijftien heel verschillende gemeenten in de GRJR, zijn er hier misschien wel heel andere zorgen dan elders.” Zeker weten deden de drie steden dat niet, want ook de data waren volgens Van Aaken niet op orde. Maar voor haar stond voorop dat de oorspronkelijke bedoeling van de deregulering, zorg dicht bij huis, in GRJR-verband onvoldoende uit de verf kwam.

“We zijn gaan denken: wat nou als we opnieuw kunnen beginnen? Wat als we het hele proces van onderop opnieuw kunnen inrichten? Daarmee zijn we het veld ingegaan. ‘Hoe zou dat er bij jou uitzien’? En bij jou? We zijn gewoon eens gaan vragen.”

Uit die rondgang kwam duidelijk naar voren dat ook het werkveld vond dat het allemaal veel beter kon. “De zorg kan dichter in de wijk, dichter bij scholen, bij verenigingen. Ieder weet van een ander niet wat die doet.” Er werd doorgepraat en doorgedacht, de lokale politiek gaf haar fiat, er werden werkgroepen gevormd. Van Aaken werd trekker, omdat zij namens de drie gemeenten de portefeuille jeugd behartigde.

“Er kwam een projectleider, we stemden af. Hoe gaat het eruit zien. Wie betrek je erbij uit het veld? Politie? Onderwijs?” Zeker in Coronatijd een uitdagende ervaring, aldus de wethouder. “Op een kickoff in Maassluis hebben we ieder uitgenodigd, echt iedereen die wilde meedenken om de jeugdzorg opnieuw in te richten.” 

“Wat zijn de belangrijkste bouwstenen? Het onderwijs is belangrijk maar had eigenlijk geen rol in het geheel. Hoe zet je de wijkteams in? Want het zou zonde van hun mogelijkheden zijn als je die teams niet de goede plek geeft.”

Een concreet voorbeeld. “We wilden de zorginstanties naar de scholen halen. Nu zie je dat een kind uit de klas getrokken wordt om zich te melden bij de jeugdzorg. Terug in de klas denkt de leraar: wat moet ik ermee? De school wil weten wat er gebeurt: moet ik een kind met rust laten of juist vragen naar zijn ervaringen?”

Zo ontstond er een model. “Zo moet het eruit zien, maar kan het financieel? Betekent het uitstappen uit de GRJR of niet? Ik vond het spannend. Met vijftien sta je sterker, maar ja.” In MVS-verband was er lang sprake van dat de drie steden uit de GRJR zouden stappen. Voorbeelden van andere gemeenten, bijvoorbeeld Alphen aan den Rijn en Utrecht, werden bekeken. Maar wat betekent het als je als je als regio met dik tweehonderdduizend inwoners zelf de inkoop van jeugdzorg gaat doen?

Ook bij het rijk weet men het nog allerminst, zo bleek volgens Van Aaken uit een brief van enkele weken geleden van staatssecretaris Maarten van Ooijen aan de Tweede Kamer. “Er zijn inspectierapporten, instellingen komen financieel in problemen.” Voor de jeugdzorg zijn het spannende tijden.

Een van de dingen die Van Ooijen zegt is aan de regio’s: zorg dat je sterk en groot blijft. Die woorden knoopte Van Aaken in haar oren. “Wat ik hiervan meenam is het feit dat de drie MVS-gemeenten een grote en congruente regio, zoals het ministerie dat benoemt, vormen. Dat betekent dat MVS al als belangrijke partners samenwerkten op meerdere belangrijke beleidsthema’s. Zoals in de sociale werkvoorziening, de WMO en het onderwijs. 

Vervolgens is de massa van deze drie gemeenten een logische volgende stap om ook samen te werken op het gebied van jeugdzorg. Ook het feit dat SOW, WMO, onderwijs en jeugdzorg verbonden zijn met elkaar, maakt het logisch.” 

Eind van het liedje - waarbij behoorlijk wat water door de Nieuwe Maas ging - was dat een deel van de inkoop van zorg aan kinderen en jongeren in Schiedam aan de GRJR is, en een ander deel aan de samenwerking tussen de drie steden aan Nieuwe Maas en Scheur. Van Aaken verwoordt het het liefst anders: “We hebben als MVS-regio de stap gezet hebben om een eigen jeugdhulpmodel in te richten en daarvoor onze eigen jeugdhulp in te kopen. Daardoor wordt het mogelijk om de jeugdzorg dichtbij de kinderen en gezinnen te organiseren in hun eigen leefwereld/leefomgeving en dus in de eigen wijk.”

“We zijn daarnaast nog onderdeel van de GRJR, waar we via subsidie de zorg jeugdbescherming en Veilig Thuis afnemen en samenwerken om van elkaar te blijven leren (vooral ook van de twee inkoopmodellen). We werken ook met de GRJR samen op landelijke thema’s zoals de hervormingsagenda en de mogelijke veranderingen in de jeugdzorg op aangeven van de minister.” Zeer zware zorg aan jongeren nemen alle gemeenten in Nederland af via Landelijke Transitie Arrangementen, die ingekocht wordt door het VNG. “Hierop heeft geen enkele gemeenten grip. Dit wordt bepaald op VNG-niveau”, aldus de afzwaaiende wethouder. 

“We hebben afgesproken dat we de komende zes jaar goed bezien wat de twee verschillende inkoopmodellen opleveren voor de gemeenten. Wat werkt goed en wat niet. Door zes jaar te vergelijken kan dat veel opleveren in verbeteringen. Misschien ook ten aanzien van de samenwerking in de GRJR. Dat zal de komende jaren moeten uitwijzen.” Naar verluidt zal het deel in regie van de drie gemeenten zo’n zeventig procent van het totaal omvatten.

De grootste winst van de ‘Schiedamse’, nou ja, ‘MVS’-werkwijze is volgens Van Aaken ‘dat we af zijn van het arrangementenmodel’. “Het zorgwerk was te veel ingedeeld in percelen: bijvoorbeeld A is pleegzorg, B is gesloten zorg, enzovoorts. De boel was in stukjes gedeeld, tussen schotjes, waartussen je niet kan overhevelen. Maar als de zorg in A over is, kan die in B nog steeds nodig zijn…” Nu kan veel meer per hulpbehoevende, per kind en ook per gezin wordt gekeken, en minder per behandelaar. “Het kind en gezin staan centraal en niet het zorgaanbod.”

“Je zoekt samenwerking, een kind zit niet tussen schotjes. Een kind krijgt eerst daar zorg, zit in de pleegzorg, gaat naar begeleidingszorg, het kind wordt gesleurd van hot naar her”, als je niet uitkijkt. “Een hulpverlener wil de hulp die hij verleent eerst klaar hebben. Hij is van een bepaalde expertise, heeft andere expertise niet in huis en biedt de zorg die hij biedt. Als hij klaar is, is het klaar. Maar de vraag is: is het kind hiermee geholpen? Dat andere stukje had het kind ook nodig…”

Van Aaken verontschuldigt zich: “Ik zet het zo sterk neer, om uit te leggen. Het is gechargeerd. Wat wij willen is dat een kind niet in hokjes zit, maar een aanspreekpunt krijgt. Die past bij de zorg die nodig is. We zeggen tegen die zorgverlener: ‘jij bent verantwoordelijk, jij zorgt ervoor dat al die zorg bij het kind komt’. Bovendien wordt dat zorg relatief dicht bij huis. Er wordt niet langer met  de kinderen ‘gesleurd’ langs de vele partijen die contracten hebben met de GRJR. “Er is een nieuw bedrijf opgericht, Mevis, waarin vijf zorgverleners samenwerken. Dat zijn MEE Rotterdam-Rijnmond, Timon, ASVZ, Yulius en Prokino Zorg.” Daaromheen komen de andere organisaties te staan die meer incidenteel hulp bieden. “Misschien vragen ze wel zorg van Minters, of wie dan ook… Maar het grote voordeel is dat zo vijf organisaties vooral betrokken zijn, niet tientallen. Zo’n beperkt aantal kan ik aanspreken.  Die ik kan vragen: waar zijn mijn kinderen, wat zijn ze aan het doen?”, vertelt Van Aaken, nog steeds in de wethouderstand. “Ik weet dan waar ze zitten.” 

In het jeugdhulpmodel van onze regio worden allerlei instanties betrokken. “Onderwijs, politie, sport, noem maar op. Mevis gaat dalijk zorgen dat ze met alle partners een relatie heeft. En er komt een expertisecentrum.” Daarin krijgen de medewerkers van de Wijkondersteuningsteams de mogelijkheid om hun eigen kennis en ervaring in te zetten, en die van anderen in te roepen. “Soms heb je net andere expertise dan wat nodig is. Die van een gedragswetenschapper is niet die van een psychiater of een arts. Zij kunnen dus in de toekomst zeggen: ‘ik denk dat hier iets aan hand is, kijk even mee, zie jij hetzelfde als ik?’ Zodoende is er gelijk expertise, zonder eerst op een wachtlijst te komen omdat er een psychiater nodig is.”

Samengevat in de consequenties voor de Schiedamse kinderen en hun gezinnen: we zullen sneller weten wat er nodig is, er wordt sneller gestopt met wat niet nodig is, de zorgverlening wordt dichtbij georganiseerd, kinderen die zorg nodig hebben zullen sneller in beeld zijn, en hulp kan sneller worden uitgevoerd. “En dat is allemaal belangrijk. Als een hulpbehoefte eerder in beeld kom, kun je eerder starten en is de zorg die nodig is misschien niet zo zwaar. Nu zijn we vaak te laat en is alleen maar zwaardere zorg nodig.” 

Om die snelheid erin te houden wordt er na 1 januari ‘beschikkingsvrij’ gewerkt. “Er is altijd een beschikking nodig. Iemand die zegt: ik bepaal dat dit kind deze zorg nodig heeft. Dat kan een medewerker van het ROG-plus zijn, van het wijkteam of een huisarts. Pas dan gaat er iets lopen. Maar die beschikkingen gaan eruit, we gaan gelijk met zorg starten als die nodig blijkt. Gelijk.” Bovendien scheelt het beschikkingsvrij werken het nodige in de papierwinkel, zodat medewerkers in de zorg meer tijd overhouden voor hun eigenlijke werk.

Ook de financiering verandert. “De perverse prikkel moet eruit”, aldus Van Aaken. Niet blijven behandelen of meer doen dan nodig, omdat dat nu eenmaal omzet voor de hulpverlener oplevert. “Bestuurders zijn superbezorgd dat we maar geld blijven uitgeven zonder dat de kinderen de juiste zorg krijgen, de zorg die ze echt nodig hebben. Tegelijkertijd staan we met onze rug tegen de muur als een zorgorganisatie zegt de deuren te sluiten, geen kinderen meer te gaan helpen, tenzij er meer geld beschikbaar komt.” Want niemand durft te zeggen: als het budget op is in oktober: dan behandelen we maar niet meer, aldus de Schiedamse wethouder. “Door een beschikbare hoeveelheid te geven voor al die soorten zorg, maak je het verschil. Als je dat noteert, kan je aan het eind van de rit kijken waar extra geld nodig is.”

Van Aaken zegt terugkijkend nu, trots te zijn het lef te hebben gehad om het anders te willen gaan doen. “Als je met zijn vijftienen iets aanpakt, is dat veilig. Met zijn drieën moet je lef hebben. Er is geen garantie dat het gaat lukken. Je kunt niet zeggen: wij gaan het verschil maken, dat is onzin. Maar je hebt wel de basis neergezet, met draagvlak uit het veld. Niemand kan het alleen, het kan alleen door samen te werken.”

“Je gaat ook tegen dingen aanlopen. Anders had het ei ergens in Nederland wel eerder uitgevonden geweest. Het is een stap met lef.” Er zijn elders in het land jeugdhulpregio’s ‘omgevallen’. “En wij dachten ook heel lang: bij ons gaat het goed. Tot het inspectierapport dat stelde: de wachtlijsten zijn veel te lang, de kinderen krijgen niet de hulp die ze nodig hebben.”

Het mooie is volgens Van Aaken dat zorgaanbieders betrokken zijn ‘die we al kennen’, vanuit de eerste contracten met de GRJR. Expres zijn er nu afspraken gemaakt voor zes jaar. “Je moet veranderen.” Dat kost tijd. “Je moet loslaten, andere gesprekken voeren, elk kind is sowieso anders, dus ook bij eenzelfde aandoening kan een kind toch gebaat zijn bij een andere aanpak.” En iedere situatie is anders. “Denk aan die alleenstaande papa van twee kinderen die zijn baan verloor en zijn auto weg moest doen. Daardoor konden de kinderen niet naar een bijzondere school. Dat kun je via jeugdhulp en schoolvervoer oplossen, maar dat kost bakken met geld. Je kunt ook zorgen dat die man zijn auto kan houden en de kinderen zelf kan brengen en halen. Is dat eerlijk?” De vraag stellen is hem beantwoorden. Dergelijke antwoorden vinden kan volgens Van Aaken het verschil maken tussen succesvol beleid of een mislukking. Andere partijen betrekken zal essentieel zijn. “Denk aan Yets Foundation die we hier hebben. Als je op de scholen de extra begeleiding die voor sommigen nodig is laat organiseren door Yets, zal dat verschil maken. Als je zorg dichterbij organiseert, zullen anderen die het zien ook op ideeën gebracht worden.” 

“Als een psychiater een kind alleen op zijn kantoor ziet, dan mist hij hoe netjes de kamer van het kind eruit ziet, terwijl de rest van het huis een en al chaos is. Had hij dat gezien, had hij vast een andere conclusie getrokken.”

Van Aaken zegt het jammer te vinden dat ze dit nieuwe beleid in gang heeft gezet, maar er niet meer bij is als het wordt uitgevoerd. De jeugdzorg in Schiedam wacht een ‘megaverschuiving’. “Daar ben ik trots op. Omdat het nodig is en omdat het beter wordt.” Hoe weet ze dat zo zeker? “Omdat je uit een slechte situatie komt. Als bestuurder schaam je je ervoor, zoals het nu gaat.”



Gerelateerd