School en jeugdzorg kunnen en moeten beter samenwerken

20-02-2021 Onderwijs Ted Konings


SCHIEDAM – De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulporganisatie ten gunste van jongeren met problemen in Schiedam kan – en moet – beter. Dat stelt de Rekenkamercommissie Schiedam- Vlaardingen (RSV) na een onderzoek dat antwoord wilde geven of en hoe de samenwerking tussen deze twee sectoren te verbeteren valt.

In Schiedam ontvingen in 2019 ontvingen 1360 kinderen en jongeren (tot achttien jaar) jeugdzorgd Dat is een kleine zeven procent van alle achttienminners in de stad. Jeugdzorg is een verzamelterm voor allerhande bijstand aan jonge mensen met problemen en de gezinnen waarin zij wonen. Het kan gaan om ambulante hulp door een wijkteam bij opvoedingsvraagstukken, specialistische hulp bij ggz-problematiek, pleegzorg als jongeren uit huis zijn geplaatst, en behandeling van jongeren in een instelling. Ook jeugdbescherming en jeugdreclassering horen daarbij, maar zijn door de RSV buiten beschouwing gelaten.

Bij de specialistische jeugdhulp in Schiedam zijn lange wachtlijsten. “Dit draagt bij aan de ontevredenheid over de jeugdhulp bij het onderwijs en daarmee niet aan de bereidheid
tot samenwerking met de jeugdhulp”, zo luidt een belangrijke conclusie van de commissie. Het is oorzaak en gevolg: omdat er wachtlijsten zijn hapert de samenwerking en dat opstropen van een aanpak zorgt weer voor wachtlijsten.

Een belangrijke oorzaak achter die gang van zaken is het ontbreken van heldere afspraken over de vormgeving van de samenwerking tussen scholen en hulpverleners. “De afspraken die er zijn, gaan over de relatief eenvoudige hulpvragen die binnen een ondersteuningsteam op een school voor voortgezet onderwijs of een wijkteam opgepakt kunnen worden”, zo stelt de RSV in het advies. “In deze gevallen kan er passende en integrale hulp geboden worden.” Maar voor de complexere problematieken ontbreken volgens de commissie ‘de kaders over wie regie voert en wie betaalt’. “Er heerst onduidelijkheid over wie op casusniveau de regie heeft en wie de regie wil pakken”, aldus de commissie. Dat is heel vervelend, want juist bij deze zwaardere gevallen zijn de voordelen van een goede samenwerking groot.

Verder zorgen ontbrekende heldere werkafspraken voor ‘onduidelijkheid over wie welke taken op zich neemt’. “Zo komt de thuissituatie snel ter sprake wanneer onderwijsprofessionals op school in gesprek gaan met een kind, terwijl hier juist de competentie van de jeugdhulp van waarde kan zijn.”

Een complicerende factor voor een vlot werkende en naadloze samenwerking is volgens de RSV het grote aantal jeugdhulporganisaties. “Dit is nodig om bij iedere hulpvraag de best passende hulp te kunnen bieden.” Maar het heeft ook een keerzijde. “Onderwijsprofessionals ervaren het grote aantal jeugdhulporganisaties echter ook als een belemmering om met de juiste organisatie – en daarbinnen met de juiste persoon - in contact te komen”, aldus de RSV.

De grote hoeveelheid onderwijs- en jeugdhulporganisaties werkt ook niet mee om overkoepelende afspraken te maken tussen onderwijs en jeugdhulp. De commissie noemt dat zelfs ‘onmogelijk’.

Daarbij speelt ook dat de scholen en hun overkoepelende organisaties vaak een regionale functie hebben en ook niet vallen onder de verantwoordelijkheid van het stadsbestuur. “Dit maakt het voor de gemeente moeilijk om de v(s)o-scholen en de mbo’s in de regio aan te sturen en te stimuleren om samen te werken met jeugdhulp.” In het mbo is dit nog een tikkie lastiger dan in het voortgezet onderwijs.

Op basis van haar bevindingen raadt de rekenkamercommissie aan de stadsbesturen – naast dat van Schiedam ook het Vlaardingse – aan om de samenwerking tussen de twee sectoren over een heel andere boeg te gooien. De commissie stelt dat de samenwerking nu nog vooral verloopt volgens het zogenaamde ketenmodel, dat zich kenmerkt door volgtijdelijkheid. In plaats daarvan zou moeten worden overgeschakeld op een netwerkmodel, dat zaken integraal beziet. “Het betrekken van de verschillende betrokkenen bij de invulling van de nieuwe inkoop van de jeugdhulp is hier een eerste stap in”, aldus de RSV.

Want het onderzoek speelt tegen de achtergrond van grote veranderingen op het gebied van inkoop van jeugdhulp door de gemeente. Toen de rekenkamercommissie haar onderzoek deed leek het er nog op dat Schiedam met Vlaardingen en Maassluis uit de gemeenschappelijke regeling zou stappen waarmee in het Rijnmondgebied hulp wordt ingekocht. Ondertussen is anders besloten. Zie dit artikel.

De RSV zag in haar onderzoek al een praktisch probleem waar het ging om de zorginkoop. “De financiering van jeugdhulp is verbonden aan postcodes. Wanneer een jongere woont in de ene gemeente, naar school gaat in de andere gemeente én de hulpvraag via de school bij de jeugd-hulp is beland, ontstaat er regelmatig een discussie over welke gemeente de geboden jeugdhulp moet financieren, ook als dit binnen de MVS-gemeenten is. Dergelijke discussies blijken de start van de hulpverlening te vertragen.” Helder, en onwenselijk.

Een aanbeveling van de commissie is daarom ‘om samen met schoolbesturen en het samenwerkingsverband, richtlijnen op te stellen voor de financieringsarrangementen rond casussen, waarbij zowel het onderwijs als de jeugdhulp betrokken zijn’.

Een andere aanbeveling van de RSV om de boel vlot te trekken is die aan de gemeenten om ‘een (nog) sterker faciliterende rol te spelen’ in het bij elkaar brengen van de mensen in de beide werkvelden onderwijs en jeugdhulp. Kennis van elkaar en elkaars werk – en mogelijkheden en onmogelijkheden is essentieel. “Professionals hebben behoeften aan meer gezamenlijke overleggen. Uitwisseling over en kennis van elkaars professionele waarden en kaders, werkwijzen en handelingsperspectieven, versterkt het onderlinge vertrouwen. Gemeenten kunnen dit vertrouwen verder stimuleren door ervoor te zorgen dat partijen hun taken goed kunnen uitvoeren, te stimuleren dat ze vertrouwen krijgen in elkaars deskundigheid, te investeren in persoonlijk contact tussen organisaties, ervoor te zorgen dat partijen zich aan onderlinge afspraken houden en ervoor te zorgen dat partijen elkaar inzicht geven in hun werkwijze.” Aldus het advies.

Dat noemt ook de noodzaak om met onderwijs- en jeugdhulporganisaties gezamenlijke richtlijnen op te stellen over het delen van privacygevoelige informatie en over afspraken omtrent casusregie. “Er heerst onduidelijkheid over welke informatie gedeeld mag worden tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties. Dit belemmert de samenwerking en levert onderlinge frustraties op.” Schiedam hoeft het wiel niet zelf uit te vinden. “Voor het opstellen van richtlijnen kan gekeken worden naar goede voorbeelden in andere gemeenten. Dit verbetert de mogelijkheden om tijdig passende en integrale hulp te bieden en leidt tot een efficiëntere werkwijze.” Want specialistische jeugdhulp kan alleen plaatsvinden als de jongere en/of ouders zichzelf hebben gemeld. “Hierdoor kunnen jeugdhulpverleners niet bij iedere jongere waarvan op school wordt gesignaleerd dat deze jeugdhulp nodig heeft, starten met het samen met de school geven van deze hulp, ook als de onderwijsprofessional en de jeugdhulpverlener samen het belang hiervan zien. Ook de terugkoppeling van een behandeling door de jeugdhulp naar een school kan daardoor niet altijd plaatsvinden.”

Ook de preventieve ondersteuning die door de gemeente wordt aangeboden zou beter en meer beschikbaar moeten zijn binnen het voortgezet onderwijs. De commissie denkt bijvoorbeeld aan sociale vaardigheidstrainingen. “Volgens professionals is de stap voor jongeren en ouders om van een ondersteuningsaanbod gebruik te maken kleiner als het dichtbij – lees: op school - georganiseerd wordt.”

De commissie realiseert zich dat de aanbevelingen niet snel en eenvoudig te realiseren zijn, maar ziet wel mogelijke verbeteringen die tot resultaat kunnen leiden. De meeste van de genoemde aanbevelingen zijn volgens de commissie eenvoudiger te realiseren ‘indien het aantal jeugdhulpaanbieders dat beschikbaar is, drastisch wordt teruggedrongen’. “Het maakt het speelveld voor (de professionals in) het onderwijs overzichtelijker. Daarnaast zal het realiseren van een netwerk- of integraal samenwerkingsmodel en van het opstellen van een richtlijn over het delen van privacygevoelige informatie en over casusregie in zo’n speelveld makkelijker zijn.”



Gerelateerd