OM: schotwond na schieten Loeffstraat wijst op liquidatie

20-01-2022 Nieuws Cerberus/Niels Dekker

Foto: Flashphoto


SCHIEDAM – Was de dodelijke schietpartij in de Loeffstraat in Schiedam op 26 juli een ongeval door een ongelukkige remactie of is het 32-jarige slachtoffer geliquideerd? Dat wordt de cruciale vraag in het proces tegen schutter W.T. (30) en medeverdachte M.O. (19). De strafzaak tegen het duo wordt op 31 augustus gehouden, zo maakte de rechtbank in Rotterdam vandaag bekend.

Het slachtoffer had met T. in Schiedam afgesproken vanwege een vuurwapen. De 30-jarige verdachte uit Hoek van Holland had het pistool geleend van de Schiedammer. Die liet in de weken voor 26 juli met telefoontjes en berichtjes aan T. weten dat hij zijn schietgerei terug wilde hebben. “Broer, ik wil mijn pistool terug of doekoe (geld, red.) zien”, schreef hij aan de Hoekenezer.

Toen T. op 25 juli niet meer reageerde op zijn berichten, legde het slachtoffer contact met O. Die werd volgens zijn advocaat gevraagd ‘mee te gaan bij de overdracht van het wapen’. "Er waren geen aanwijzingen dat hij wist dat er geweld zou worden gebruikt’’, zei de raadsman vandaag tijdens een pro-formazitting in de rechtbank.

Sterker nog, zo stelden hij en de advocaat van medeverdachte T., van geweld was bij het schietincident geen sprake. Volgens hen was het een ongeluk toen ze bij het slachtoffer in de auto waren gestapt en gingen rijden. Onderweg zou het slachtoffer plots hebben geremd, waardoor in de Loeffstraat ‘per ongeluk’ het geladen wapen afging. W. bekende dat hij degene was die schoot. De Schiedammer werd door een kogel in het hoofd geraakt. O. en T. vluchtten en lieten het slachtoffer achter. Hij werd in de auto met draaiende motor en op de handrem door een voorbijganger gevonden, terwijl er bloed uit zijn oor liep. Enkele uren later overleed de man. De verdachten werden later opgepakt.

Onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar de schotwond zou eerder wijzen in de richting van een liquidatie, zo werd duidelijk in de rechtbank. Volgens de onderzoeker was het gezien de verwonding ‘waarschijnlijker’ dat de afstand van het pistool naar het hoofd nul centimeter was. “Het past meer bij nul centimeter dan hoger”, werd hij geciteerd.

De advocaten kregen toestemming om binnenkort het NFI vragen te stellen over het onderzoek. Zo vond de advocaat van T. het opvallend dat er op andere plekken in het gezicht van het slachtoffer ‘schotresten’ waren gevonden. Bij een zogeheten contactschot, waarbij de loopmond van het vuurwapen tegen de huid wordt gedrukt, zou dat volgens hem niet het geval zijn. Een aanname die het Openbaar Ministerie (OM) weer verwierp.

Voorlopig verdenkt het OM het duo van doodslag, maar de uiteindelijke tenlastelegging zou nog kunnen worden aangepast in moord. In aanloop naar de inhoudelijke rechtszaak vinden er nog twee tussentijdse zittingen plaats.



Gerelateerd